De gemiddelde cao-loonstijging voor 2026 staat op 4,0 procent. Dit cijfer is gepubliceerd door het Ministerie van SZW op 1 september 2026, op basis van 120 cao’s met een looptijd over heel 2026, die samen goed zijn voor 4,7 miljoen werknemers.
Toch meet dit getal minder dan veel werkgevers denken. Wie het gebruikt als richtsnoer voor een eigen cao-onderhandeling of loonbegroting, moet weten welke afspraken erin zitten en welke er volledig buiten vallen.
Wat 4,0 procent wél en niet meet
SZW rekent met de contractloonstijging: de verhoging van de loonschalen die partijen in de cao vastleggen. Eenmalige uitkeringen, periodieken, wijzigingen in de pensioenpremie en individuele toeslagen tellen niet mee in dit percentage.
De loonkosten per werknemer kunnen daardoor afwijken van 4,0 procent, naar boven of naar beneden. En omdat het om bruto loonschalen gaat, bepaalt de omrekening van bruto naar netto pas wat de werknemer er zelf van merkt.

Waarom het cijfer voor 2027 (nog) niets voorspelt
Over heel 2027 staat de teller op 3,4 procent, maar dat is gebaseerd op 43 van de 148 onderzoek-cao’s, met samen 1,7 miljoen werknemers oftewel 31 procent van de onderzoekspopulatie. De overige 69 procent moet nog afspraken maken.
Die deelverzameling is niet willekeurig: publieke cao’s kennen lange looptijden en komen vroeg tot stand. Marktcao’s zijn veel korter en volgen later in het jaar. Dat verklaart waarom overheid en onderwijs voor 2027 op 4,1 procent staan en de marktsector op 3,1 procent.
De omkering ten opzichte van 2026, toen de marktsector met 4,3 procent juist voorlag op de publieke sector, is dus vooral een meetmoment. Wie er een trendbreuk in leest, vergelijkt dus twee ongelijke steekproeven.
Beide percentages blijven bovendien voorlopig. Nieuwe akkoorden schuiven het gemiddelde, en ook bijgestelde informatie over aantallen werknemers of loonafspraken in lopende cao’s verandert de uitkomst achteraf nog. Dat geldt ook voor 2026.
Welk gemiddelde hoort thuis aan de onderhandelingstafel
Het ministerie weegt elke cao naar het aantal werknemers, zodat grote cao’s het gemiddelde domineren. AWVN telt elk akkoord even zwaar mee en publiceert daar maandelijks cijfers over. Beide cijfers kloppen, maar ze beantwoorden een andere vraag.
Bij een ondernemings-cao of een kleinere bedrijfstak-cao is het SZW-gemiddelde daarom een zwakke referentie: het wordt gedragen door een handvol zeer grote cao’s. Het AWVN-cijfer sluit dan beter aan bij de eigen onderhandelingspraktijk.
Welk cijfer je ook als referentie neemt, dat zegt nog niets over de vraag of de cao voor jou verplicht is. Twijfel je daarover, bijvoorbeeld na afloop van de looptijd, dan beoordelen onze arbeidsrecht advocaten jouw specifieke situatie.
Kortom
Het cijfer voor 2027 verdient volgens ons zeker voor nu meer terughoudendheid. Want zolang de marktsector grotendeels nog moet afsluiten, zegt 3,4 procent vooral iets over wie er al klaar is en weinig over waar het jaar in zijn geheel op uitkomt.