uitspraak woz bedrijven

Hoge Raad maakt einde aan WOZ-cowboys

De Hoge Raad heeft duidelijk gemaakt dat de strengere regels voor proceskostenvergoedingen in WOZ-zaken gewoon geldig zijn. Daarmee is er nu echt een einde gekomen aan een praktijk waar rechters, gemeenten en politiek al jaren klaar mee waren: commerciële partijen die massaal bezwaar maakten tegen WOZ-beschikkingen en vooral verdienden aan de proceskostenvergoeding.

Voor consumenten leek het aantrekkelijk, zij hoefden vaak zelf weinig te doen en werden benaderd met een no cure no pay-aanpak. Achter de schermen draaide het verdienmodel echter vooral om de vergoeding die kon worden opgeëist als een bezwaar of procedure slaagde.

Discussie speelt al veel langer

WOZ-zaken zijn al jaren een apart dossier. Niet omdat de inhoud altijd zo ingewikkeld is, maar omdat er een complete markt omheen ontstond. Bedrijfjes dienden namens burgers op grote schaal bezwaren in tegen WOZ-beschikkingen en verdienden vervolgens aan de proceskostenvergoeding als zij gelijk kregen.

Dat leidde tot veel kritiek; gemeenten kregen grote aantallen standaardbezwaren te verwerken en ook in de rechtspraak groeide de irritatie. De gedachte was steeds vaker dat het in een flink deel van die zaken niet meer draaide om rechtsbescherming van burgers, maar om een verdienmodel dat slim gebruikmaakte van de regels.

Lagere proceskostenvergoedingen sinds 2024

Om die praktijk af te remmen, zijn de regels per 1 januari 2024 aangepast. Voor WOZ-zaken en bpm-zaken gelden sindsdien beperkingen in de proceskostenvergoeding. In gewone fiscale procedures kunnen hogere vergoedingen worden toegekend, maar in deze specifieke zaken is dat bewust teruggeschroefd.

De wetgever wilde daarmee voorkomen dat procedures vooral nog worden gevoerd omdat de vergoeding hoger is dan de werkelijke kosten. Dat was precies het punt waar veel kritiek op zat. Volgens Den Haag schoot het systeem zijn doel voorbij als rechtsbijstand vooral aantrekkelijk werd vanwege de opbrengst van de vergoeding en niet vanwege de inhoud van de zaak.

Hoge Raad is heel duidelijk

Een professionele rechtsbijstandverlener vond die nieuwe regeling onrechtvaardig en stapte uiteindelijk naar de Hoge Raad. De kern van het bezwaar was dat die beperkingen discriminerend zouden zijn en in strijd met Europees recht of internationale verdragen.

De Hoge Raad gaat daar niet in mee. Volgens de belastingkamer zijn de beperkingen op de proceskostenvergoeding in WOZ- en bpm-zaken verenigbaar met het recht. De regeling is dus niet discriminerend en ook niet onrechtmatig. Daarmee is de discussie juridisch gezien grotendeels beslecht.

Het oordeel is belangrijk, omdat hiermee vaststaat dat de wetgever ruimte had om juist in deze categorie zaken in te grijpen. De Hoge Raad vindt dus dat hier een voldoende goede reden voor bestond.

Slot van een omstreden praktijk

Met dit arrest lijkt het hoofdstuk van de bekende WOZ no cure, no pay-industrie voor een groot deel afgesloten. De politiek wilde al langer ingrijpen, de rechtspraak keek er kritisch naar en nu heeft dus ook de Hoge Raad bevestigd dat die beperkingen juridisch houdbaar zijn.

Verder lezen: Juridische dienstverleners bleven in 2025 hard groeien