De Nederlandse advocatuur kende jarenlang een vaste rangorde: een handvol advocatenkantoren van eigen bodem bovenaan, de internationale spelers daaronder. Nieuw onderzoek van Law.com laat zien dat die verhouding aan het kantelen is.

Toch is de conclusie volgens ons minder eenduidig dan de groeipercentages suggereren. Immers, groei in procenten zegt weinig zonder absolute aantallen, en het gevecht om de Nederlandse markt speelt zich waarschijnlijk ergens anders af dan aan de pitch tafel.

Hoe hard groeien internationale kantoren in Nederland?

Veertien internationale kantoren met een Nederlandse vestiging lieten hun advocatenbestand sinds 2020 gemiddeld met 27 procent groeien. Bij de kantoren van eigen bodem bleef die groei steken onder de 8 procent. Het gaat om namen als Freshfields, Hogan Lovells, Cadwalader, Bird & Bird en Norton Rose Fulbright.

De uitschieters zijn fors: Taylor Wessing en Bird & Bird groeiden in vijf jaar met ongeveer 60 procent, Norton Rose Fulbright met 53 procent en Greenberg Traurig met 50 procent. Hogan Lovells zit daar vlak onder.

Van de Nederlandse kantoren is Pels Rijcken een opvallende groeier met 19 procent, al groeiden acht internationale kantoren groeiden dus harder dan deze Nederlandse koploper.

Waarom kiezen klanten vaker internationale kantoren?

Een veelgehoorde verklaring op de Zuidas is dat het werk zélf internationaler geworden. Wie in meerdere landen tegelijk M&A advocaten of een onderzoek moet regelen, kiest sneller een kantoor dat in al die landen actief is.

EU-regels versterkt dat effect, want sancties, mededinging, duurzaamheids-rapportage en gegevensbescherming lopen dwars door landsgrenzen heen. Eén aanspreekpunt voor twaalf jurisdicties is dan simpelweg praktischer dan twaalf losse adviseurs.

advocatenkantoor zuidas

Verliezen de Nederlandse kantoren marktaandeel?

Daarover verschillen de meningen nogal: Houthoff zelf ziet geen grote verschuivingen en wijst op een omzetgroei van 12 procent in het afgelopen jaar.

Bij Eversheds Sutherland klinkt een heel ander geluid, daar spreekt men van een duidelijke trend: internationale kantoren pakken nu al klanten en prestigieuze zaken af van de nationale marktleiders, en dat zal doorzetten.

Concrete voorbeelden zijn er ook: Shell stapte na het verlies in eerste aanleg in de klimaatzaak over naar Clifford Chance voor het hoger beroep. Tata Steel ruilde Van Doorne in voor A&O Shearman toen de claim van 1,4 miljard euro werd aangekondigd.

In absolute aantallen zijn de Nederlandse kantoren nog een stuk groter dan de Nederlandse vestigingen van internationale kantoren. Zo koerst De Brauw Blackstone Westbroek richting de 350 advocaten, terwijl A&O Shearman als grootste internationale kantoor in Nederland rond de 190 advocaten telt.

Cijfers vertellen de helft van het verhaal

Hier zit wat mij betreft het interessantste punt, en dat komt in de berichtgeving nauwelijks terug. Zestig procent groei klinkt spectaculair, maar op een vestiging van vijftig advocaten gaat het om dertig mensen erbij.

Dat is genoeg om hard te groeien, maar natuurlijk niet genoeg om een groot kantoor van 350 advocaten in te halen. De kloof sluit dus veel langzamer dan de percentages doen vermoeden.

Kweekvijver voor internationale kantoren

Internationale kantoren leiden in Nederland nauwelijks op schaal zelf op; ze groeien vooral door partners en teams over te nemen van kantoren die dat wél doen. De Nederlandse top functioneert daarmee (ongewild) als kweekvijver voor de internationale concurrentie.

Dat maakt het echte slagveld de arbeidsmarkt, niet de pitch. Een partner die met portefeuille en al vertrekt, verplaatst marktaandeel zonder dat de klant ooit een beauty contest heeft gehouden. Wie wil weten hoe deze markt zich ontwikkelt, moet dus vooral naar de overstappen kijken.

Kortom de internationale advocatenkantoren groeien hard, maar ze halen de Nederlandse top (voorlopig) niet in. De percentages uit de bron van het onderzoek Law.com overdrijven de verschuiving, terwijl de absolute afstand tussen beide groepen nog altijd tientallen advocaten bedraagt.