Een advocatenkantoor dat een cliënt bijstond in een slepende ruzie over de omgang met zijn dochter, krijgt bij het gerechtshof Den Haag alsnog gelijk in een geschil over een onbetaalde rekening van €1.763,24.

De kantonrechter had die vordering eerder grotendeels afgewezen, omdat de advocaat wel een uurtarief had genoemd maar geen inschatting van de totale kosten; volgens de kantonrechter een schending van de Europese regels tegen oneerlijke bedingen in consumentencontracten.

Het hof denkt daar in het arrest van 14 juli 2026 anders over. Ja, het kostenbeding was niet transparant genoeg, oordelen de raadsheren. Maar dat maakt het nog geen oneerlijk beding dat zomaar terzijde kan worden geschoven. De cliënt moet alsnog betalen.

Ruzie over de omgangsregeling

De zaak draait om een man die zich in 2023 tot advocatenkantoor MVDP wendde nadat zijn ex-partner eenzijdig de zorgregeling voor hun dochter had stopgezet. De advocaat stuurde een opdrachtbevestiging met een uurtarief van €205 exclusief btw, oftewel €248,05 inclusief.

Van een raming van het totale bedrag (hoeveel uur de zaak ongeveer zou kosten) was geen sprake. De cliënt ging akkoord, vroeg vergeefs gesubsidieerde rechtsbijstand aan en kreeg uiteindelijk een rekening van €1.763,24 gepresenteerd. Hij betwistte de nota’s niet, vroeg om een betalingsregeling en deed toezeggingen, maar betaalde vervolgens niets.

Kantonrechter: geen prijsraming, dus oneerlijk

Toen MVDP naar de rechter stapte, verscheen de cliënt niet. De kantonrechter in Rotterdam onderzocht desondanks ambtshalve of het kostenbeding eerlijk was, zoals de Europese richtlijn oneerlijke bedingen voorschrijft. De conclusie: het beding was niet transparant en dus oneerlijk.

Volgens de kantonrechter is enkel een uurtarief noemen onvoldoende, want de consument kan zo onmogelijk inschatten wat de zaak uiteindelijk gaat kosten. Gevolg: het beding werd vernietigd en de vordering voor de geleverde rechtsbijstand grotendeels afgewezen.

modern advocatenkantoor

Hof trekt scherpe grens

Het hof buigt zich in hoger beroep over dezelfde vraag en steunt daarbij zwaar op een uitspraak van het Europese Hof van Justitie uit januari 2023, het zogeheten Honoraires d’avocat arrest. Daaruit volgt een scherpe tweedeling: een kostenbeding kan best ondoorzichtig zijn en dat is dit beding, erkent ook het hof, want een advocaat moet volgens de eigen gedragsregels normaal gesproken een inschatting geven van de te verwachten kosten.

Maar ondoorzichtigheid alleen is niet genoeg om een beding ook oneerlijk te noemen. Daarvoor moet apart worden getoetst of de consument door het beding daadwerkelijk aanzienlijk is benadeeld, in strijd met de eisen van redelijkheid.

En dat laatste ziet het hof niet gebeuren. Het vergelijkt de situatie met wat zonder afspraken over het loon zou hebben gegolden: dan was op grond van de wet een redelijk loon verschuldigd geweest. Het overeengekomen tarief van €248,05 per uur vindt het hof, gezien de aard van de zaak, niet onredelijk hoog.

Bovendien is niet aannemelijk dat de cliënt van de opdracht had afgezien als hij vooraf wél een prijsraming had gekregen: hij had een advocaat hard nodig om de omgang met zijn dochter te regelen, en van misleiding door het kantoor is niets gebleken.

Dat is een belangrijk verschil met eerdere zaken bij de hoven in Den Bosch, Amsterdam en Arnhem-Leeuwarden, waarin advocaten wél op het verkeerde been waren gezet over de kosten én waar de bedingen toen wel als oneerlijk werden bestempeld.

Niet elke fout van een advocaat is fataal voor de rekening: pas bij misleiding kiest het hof voor de cliënt.

Rekening alsnog verschuldigd

Het hof vernietigt daarom het vonnis van de kantonrechter en wijst de vordering van MVDP alsnog toe: €1.763,24 aan hoofdsom, plus €264,49 aan incassokosten en wettelijke rente vanaf 5 maart 2024. Omdat de cliënt niet in hoger beroep verscheen, draagt elke partij de eigen proceskosten.

Opvallend is de waarschuwing die het hof er terzijde aan toevoegt: als rechters niet-transparante bedingen te snel gelijkstellen aan oneerlijke bedingen, dreigt willekeur en rechtsonzekerheid. Dat risico speelt volgens het hof juíst bij advocaten honoraria, waar het vooraf inschatten van de benodigde uren nu eenmaal ook lastig is.

De uitspraak biedt in mijn optiek houvast voor de gehele Nederlandse advocatuur: een ontbrekende kostenraming kan een tuchtrechtelijk of civielrechtelijk risico zijn, maar géén vrijbrief voor cliënten om de rekening straffeloos te laten liggen.