Een conclusie van antwoord met een “volledig onjuist citaat” uit het bekende arrest DSM/Fox komt twee kopers van een machinebouwbedrijf duur te staan. De Rechtbank Amsterdam kon niet vaststellen dat AI het citaat verzon (de advocaat ontkent), maar rekent het opvoeren van niet-bestaande rechtspraak af via een hogere proceskostenveroordeling.
Belangrijker nog: het beroep op dwaling sneuvelt volledig, en de kopers moeten ruim een miljoen euro betalen voor de resterende aandelen.
Een aandelenkoop van miljoenen
De zaak draait om de verkoop van 100% van de aandelen in een machinebouwbedrijf dat onder meer zogeheten Air Boosters levert. De verkopende holding vroeg aanvankelijk € 2.750.000, gebaseerd op de resultaten over 2022 en 2023 en een EBITDA-multiple van 5,5.
Na onderhandeling, waarbij op verzoek van de kopers ook het magere jaar 2021 werd meegewogen en de multiple zakte naar 4,5, kwamen partijen uit op € 2.100.000, met een earn-out die kon oplopen tot € 2.350.000.
Op 16 augustus 2024 tekenden partijen de koopovereenkomst. De aandelen zouden in twee tranches overgaan: de eerste helft werd op 2 september 2024 keurig geleverd, de tweede helft stond gepland voor 1 juli 2025. Die tweede levering bleef uit.
Het zakelijk geschil belandde vervolgens bij de rechter. De verkoper eiste nakoming: afname van de resterende aandelen tegen betaling van € 933.333,33 door de ene koper en € 116.666,67 door de andere.
Kopers voelden zich misleid
De kopers (een Nederlandse N.V. met een Belgische moedervennootschap en een managementadviesbureau) weigerden af te nemen en vernietigden naar eigen zeggen de overeenkomst buitengerechtelijk wegens dwaling, dan wel bedrog. In reconventie eisten zij bovendien € 1.050.000 terug en teruglevering van hun aandelenpakket.
Hun verhaal rustte op twee pijlers. Ten eerste zou de verkoper hebben verzwegen dat de grootste klant van het bedrijf geen nieuwe afnamegarantie meer wilde afgeven en dat zelfs onzeker was of er nog bestellingen zouden volgen.
Die klant was overigens geen kleine speler: in 2023 was hij goed voor € 985.000 omzet, ofwel 43,7% van het totaal. De kopers wezen op een brief uit juni 2023 waarin het bedrijf zelf letterlijk het woord “afnamegarantie” gebruikte.
Ten tweede zou de winstprognose voor 2024 en 2025 (een voorspelde nettowinst van € 449.000 over 2024 bij een omzet van € 2.335.811) veel te rooskleurig zijn geweest. En de werkelijkheid week inderdaad fors af: waar de prognose voor de tweede helft van 2024 een winst van € 405.000 voorspelde, kwam het bedrijf volgens de kopers uit op € 35.780.
Over de eerste negen maanden van 2025 stond een gerealiseerde winst van € 70.800 tegenover een geprognosticeerde € 870.000. Volgens de kopers was een “realistische prognose” een harde eis geweest om überhaupt met de verkoper in zee te gaan.
Waarom de rechtbank daar niet in meeging
De rechtbank maakt korte metten met beide pijlers, en de chronologie speelt daarbij de hoofdrol.
Eerst de “afnamegarantie”. Het woord staat inderdaad in de brief van 15 juni 2023, maar de rechtbank oordeelt dat dit onvoldoende is om aan te nemen dat de klant een blijvend omzetniveau had gegarandeerd. De garantie zag op 72 stuks Air Boosters van opgeteld € 163.038,96, oftewel 7,2% van de jaaromzet van ruim € 2,25 miljoen.
Volgens de verkoper ging het om een eenmalige leveringsgarantie op verzoek van de klant zelf, die wilde uitbreiden richting Amerika en zeker wilde weten dat er geleverd kón worden.
Bovendien wisten de kopers dat de omzet van deze klant heftig fluctueerde: van 2,4% van de omzet in 2021, via 15,1% in 2022 naar 43,7% in 2023. Juist daarom hadden zíj bedongen dat 2021 werd meegenomen in de prijsbepaling, het klantconcentratierisico was dus al verdisconteerd in de koopprijs.
Dan de prognose. Uit het mailverkeer reconstrueert de rechtbank dat partijen al op 19 mei 2024 een akkoord hadden over het bod: “We hebben een akkoord”, mailde de adviseur van de kopers.
De prognose bestond toen nog niet eens. Die werd pas begin juli 2024 opgesteld en verstrekt, nadat een van de kopers per mail had gevraagd om een resultaatprognose. Niet als koopvoorwaarde, maar omdat de bank het document nodig had voor een leningsaanvraag van € 300.000 voor machines.
In de koopovereenkomst en het due diligence onderzoek, dat overigens geen afwijkingen opleverde, was over prognoses of prestatieverplichtingen niets terug te vinden.
De conclusie van de rechtbank is droog maar vernietigend voor het verweer: uit dit verloop blijkt “voldoende duidelijk dat een prognose geen harde voorwaarde is geweest” voor het sluiten van de overeenkomst, “nog los van het feit dat een prognose geen garantie is”. Daarmee vallen dwaling én bedrog weg, en gaan alle tegenvorderingen (inclusief de terugbetaling van € 1.050.000) van tafel.

En toen dook DSM/Fox op…
Interessant wordt het bij de proceskosten. In hun conclusie van antwoord hadden de kopers in dit ondernemingsrechtelijke geschil een citaat opgenomen uit DSM/Fox, het standaardarrest van de Hoge Raad over de uitleg van schriftelijke contracten. Eén probleem: de geciteerde bewoordingen staan helemaal niet in dat arrest.
Eén probleem: de geciteerde bewoordingen staan helemaal niet in dat arrest. Sterker, de rechtbank stelt vast dat ze “ook niet elders in gepubliceerde rechtspraak” te vinden zijn. Het citaat was, of het nu AI was of niet, compleet verzonnen.
De verkoper had daar wel een verklaring voor: de kopers zouden bij het opstellen van het processtuk artificial intelligence hebben gebruikt die aan het hallucineren was geslagen. De advocaat van de kopers ontkende dat, maar kon vervolgens niet aangeven hoe de passage dan wél in het stuk terecht was gekomen.
Geen bewezen AI-gebruik, wél extra proceskosten
De rechtbank stelt ook nergens vast dat AI daadwerkelijk is gebruikt. Wat wel vaststaat: er stond een niet-bestaand citaat in een processtuk, en niemand kon uitleggen waar het vandaan kwam.
Voor de rechtbank was de herkomst uiteindelijk “niet beslissend”. Het oordeel: “Het als citaat opnemen van niet bestaande rechtspraak acht de rechtbank kwalijk, want dit heeft zowel [eiser] als de rechtbank nodeloos extra tijd en aandacht gekost.”
Die verloren tijd laat zich verklaren: een letterlijk citaat uit een Hoge Raad-arrest oogt gezaghebbend, dus wederpartij en rechter moeten het naslaan, constateren dat het nergens staat, en daar vervolgens in de procedure iets mee.
De rechtbank vertaalt dat extra werk naar een concreet bedrag: een halve punt extra in de proceskostenveroordeling, ofwel € 2.315,50. Het is dus geen boete en geen persoonlijke veroordeling van de advocaat. Het is een verhoging van de reguliere proceskostenveroordeling, die formeel ten laste komt van de veroordeelde procespartijen, de kopers dus, hoofdelijk.
Opvallend genoeg wees de rechtbank de véél verdergaande vordering van de verkoper tot vergoeding van de werkelijke proceskosten (ruim € 11.000 aan gestelde extra kosten wegens “onwaarheden”) juist af: daarvoor geldt de hoge drempel van misbruik van procesrecht, en die werd hier niet gehaald.
De rekening
De eindafrekening voor de kopers is fors: de M&A deal moet alsnog worden afgerond. Zij moeten binnen acht weken (de rechtbank verlengde de gevorderde termijn van tien dagen vanwege de zomerperiode en de benodigde financiering) meewerken aan de levering van de tweede tranche aandelen, tegen betaling van in totaal € 1.050.000 plus wettelijke rente vanaf 1 juli 2025.
De gevorderde dwangsom van € 10.000 per dag ging niet door: bij een veroordeling tot betaling van een geldsom staat de wet dat niet toe. Daar komen bij: € 6.775 aan buitengerechtelijke incassokosten, € 7.591 aan beslagkosten en € 26.100,85 aan proceskosten, inclusief de halve punt voor het spookcitaat.
De dividendvorderingen van de verkoper werden afgewezen; alle reconventionele vorderingen van de kopers eveneens.